Spelregels
Het spel wordt gespeeld met 6 dobbelstenen. De speler die het eerst 5000 punten heeft is gewonnen.
De puntentelling :
1 = 100 5 = 50
3x1 = 1000 in één worp 4x1 = 2000 5x1 = 4000 6x1 = 8000 = UIT
3x2 = 200 4x2 = 400 5x2 = 800 6x2 = 1600
3x3 = 300 4x3 = 600 5x3 = 1200 6x3 = 2400
3x4 = 400 4x4 = 800 5x4 = 1600 6x4 = 3200
3x5 = 500 4x5 = 1000 5x5 = 2000 6x5 = 4000
3x6 = 600 4x6 = 1200 5x6 = 2400 6x6 = 4800
1-2-3-4-5-6 = grote straat = 1000 punten
1-2-3-4-5 of 2-3-4-5-6 = kleine straat = 500 punten
Kleine of grote straat + 5 of 1 is volle bak met respectievelijk 550 of 600 punten.
De speler aan de beurt, blijft aan de beurt zolang hij en van de bovenvermelde combinaties of 1 en 5 blijft gooien.
Telkens een combinatie of 1 of 5 gegooid wordt moet deze uit de pitjesbak genomen worden. Indien alle dobbelstenen een combinatie of 1 of 5 hebben, heeft de speler “volle bak“ en is hij verplicht verder te gooien. Indien nadien geen combinatie en of 1 of 5 wordt gegooid verliest hij de punten van de vorige beurt.
Elke speler dient bij de eerste beurt minstens 500 punten te scoren in een spelbeurt door een combinatie of door “volle bak“ alvorens men kan beginnen, dit noemt men “ik ben open“.
Wanneer een speler “open is“ mag hij na elke worp met een combinatie en of 1 of 5 stoppen. De punten tellen dan. Indien hij verder gooit en hij heeft geen combinatie of één of vijf verliest hij zijn punten en zijn beurt.
De speler die 4000 punten bereikt, dient de laatst 1000 punten in één beurt te maken zoals bij het “open gaan“.
Het beste is dus om op 3950 punten of lager te stoppen en de laatste stap in twee beurten te overbruggen.
Wie eerst 5000 of meer heeft is gewonnen, en begint als eerste in een nieuw spel.